tong

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɔŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    'Wie van ons vieren vind jij het meest aantrekkelijk?' Ik kijk hem schuin van onder aan en met mijn tong ga ik over mijn lippen, waar ik de scherpe grappa nog proef.
  2. rundertong als voedingsmiddel
  3. figuurlijk (figuurlijk) wat gesproken wordt, gesproken taal
    De tong van die streek is moeilijk te verstaan.
  4. figuurlijk (figuurlijk) wat de vorm van een tong (1) heeft, bijvoorbeeld een landtong of de tong van een schoen
    De landtong loopt een heel eind in de oceaan.
  5. straalvinnigen (straalvinnigen) om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis,
    In het restaurant bestelde de man altijd tong.
  6. figuurlijk (figuurlijk) bij een slot: dat gedeelte van de schieter dat naar buiten komt
  7. figuurlijk (figuurlijk) onderdeel van een muziekinstrument
    Een doorslaande tong is een strip van metaal, die in een precies passend frame vastgeklonken wordt.

Etymologie

*: lengua

Uitdrukkingen

  • met dubbele tong sprekendoor overmatig alcoholgebruik onduidelijke spreken
  • een tong uitsteken naar
  • Boze tongen beweren dat...Lasteraars, kwaadwillende mensen zeggen dat...
  • De tongen komen los.Men begint meer, vrijer te praten (om een bepaalde reden)
  • Heb je je tong verloren?Min of meer intimiderende manier om tegen iemand te zeggen dat die iets niet langer mag verzwijgen
  • Het eten smelt op je tong.Het eten is erg zacht
  • Met een dikke tong spreken.Dronken zijn
  • (Niet) het achterste van zijn tong laten zien.(Niet) alles vertellen wat men weet

Vertalingen

Engelstongue, tongue, sole
Franslangue, langue, sole
DuitsZunge, Sprache
Spaanslengua, lengua, lenguado
Italiaanslingua, lingua
Portugeeslíngua, língua
Russischязык, језик, jezik
Chinees舌, 舌頭, 舌
Japans舌, べろ, 舌
Koreaans혀, 언어
Arabischلسان
Turksdil, dil, lisan
Poolsjęzyk, język, sola
Zweedstunga
Deenstunge, søtunge