tocht
mannelijk (de)/tɔxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- meestal ongewenste bewegende koude lucht binnen in een ruimte, als gevolg van openingen naar buitenEr is binnen veel tocht.
- activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaatZe namen Sint mee om de oude man dadelijk te verzorgen. Maar Pietje ging met het kruikje naar het paard. En al was hij doodmoe van de tocht, in drie dagen en nachten sliep hij niet om het paard ieder uur zijn toverdrank te kunnen geven.Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog? Wat had ik nu spijt van het plan om de zonsondergang en zonsopkomst vanaf de top te willen gaan bekijken.
- (waterbeheer) soort watergang
Etymologie
*[2] in de betekenis van ‘reis’ aangetroffen vanaf 1599
Vertalingen
Engelsdraught, trip
Franscourant d'air, voyage
DuitsZug, Fahrt, Reise
Spaansaire, viaje
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek