reis

mannelijk/vrouwelijk (de)/rɛis/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote, lange tocht of trip
    Zij heeft een reis door Azië gemaakt.
    weg bent?’ Grappig vond ik zijn opmerking over het motief van mijn reis: ‘Wat is het nut van je wandeling? Je bereikt en verdient er niks
    Ik moest weer aan Cynth denken, aan onze lange reis samen, en ook aan onze stomme ruzie, en ik had het gevoel dat ik bijna moest huilen, dus spoorde ik Pamela aan om ook wat over zichzelf te vertellen.

Etymologie

*van Middelnederlands "reise", in de betekenis van ‘tocht’ aangetroffen vanaf 1240

Vertalingen

Engelsjourney, voyage, trip
Fransvoyage
DuitsReise
Spaansviaje
Italiaansviaggio
Russischпутешествие
Poolspodróż