tjaptjoi

mannelijk/vrouwelijk (de)/cɑpˈcɔj/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Chinese rijstschotel met vlees en groenten
    Je kent ze wel, tjaptjoi, loempia en bami, gerechten die overal precies hetzelfde smaken en er steevast eender uitzien. Mijn vrouw heeft altijd geweigerd om aan die goedkope en gemakkelijke trend mee te doen. Ze kon het ook niet; daarvoor hield ze teveel van de verfijnde Vietnamese keuken. Maar de prijs die we voor deze keuze betalen, is soms hoog. We moeten veel geduld oefenen. Het duurt lang voor de mensen beseffen dat we geen gemiddelde Aziaat zijn en geen volkskeuken voorschotelen.de Standaard 29 JUNI 2002 Barbara Bernard
    Iedereen kent ze. De Chinees in het dorp, of op de hoek, met rode tapijten op de vloer met draak-en-feniksmotieven en op z'n minst een aquarium met goudvissen, maar liever een vijverpartij met koikarpers. En met onverwoestbare klassiekers op de menukaart als foeyonghai, babi pangang en tjaptjoi.Volkskrant Pay-Uun Hiu 8 oktober 2016

Etymologie

* uit het Chinees

Vertalingen

Engelschop suey