tennishal
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- grote sporthal met één of meer tennisbanenOp verschillende plekken in het land zijn daken of gevels bezweken door de ophoping van sneeuw. Onder andere het Vrijheidsmuseum in Groesbeek, een tennishal in Winterswijk en het huis van Raymond van Barneveld liepen schade op.Andere sportievelingen hebben minder geluk met het weer. Zo is tennissen er voor leden van de Winterswijkse Tennis Club voorlopig niet meer bij. De tijdelijke tennishal - een reusachtige tent die over vier banen was gezet - is door de harde wind en hevige sneeuwval ingestort, meldt Omroep Gelderland.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek