tegenspoed

mannelijk (de)/ˈteɣə(n)ˌsput/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag

Etymologie

* , in de betekenis van ‘pech’ voor het eerst aangetroffen in 1437

Vertalingen

Engelsadversity, decay, misfortune
Fransmalchance, abaissement
DuitsUnannehnlichkeiten
Spaansdesgracia, infortunio
Italiaansavversita
Portugeesadversidade
Zweedsmotighet
Deensforfald