tegengeluid
onzijdig (het)/ˈteɣə(n)ɣəˌlœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uiting die tegen een heersende opvatting ingaatDe maatschappelijke beweging die we nu kennen als bodypositivity kwam in de jaren zeventig en tachtig naar Nederland. Toen werd het door feministen ingezet als tegengeluid van de heersende schoonheidsidealen.
- (verouderd) geluid dat zich als reactie op een eerder geluid voordoetMaar in het algemeen is in de Noordnederlandse kerken, zowel in het Westen als in het Oosten, in de 15de eeuw het thema van het Laatste Oordeel voluit op de koorgewelven geschilderd, met de opstanding, uitverkiezing en verdoemenis, alle apostelen, bazuinende engelen, soms zelfs een kakofonisch tegengeluid uit de bazuinen der duivelen, meestal engelen met de arma Christi, wierokende engelen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek