tarot

mannelijk (de)/taˈrɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. troefkaart
zelfstandig naamwoord
  1. kaartspel waarmee de toekomst voorspeld zou kunnen worden
    Ik wil net naar de uitslag van Ajax-Feyenoord vragen, maar mijn buurvrouw is me voor: "Staan we voor een omslagpunt?" Dat wordt dé vraag voor de tarotkaarten. Daarom moeten we die vraag tegelijk stellen, hardop, met zijn allen. Reinsma: "Anders snapt de tarot het niet." Het Parool HANS VAN DER BEEK 3 APRIL 2017 [https://www.parool.nl/stadsgids/dertig-seconden-kijken-naar-die-leegmaakplek~a4482363/ Dertig seconden kijken naar die leegmaakplek]
    Kort daarna woonde ik een feest bij waarbij kosten noch moeite waren gespaard om de gasten te vermaken. Ik belandde bij een van de attracties: een dame die met tarotkaarten werkte. Iemand die met flauwekul een zakcentje verdiende, dacht ik. Zij trok de kaarten, begon te praten en stopte toen abrupt. Ze greep mijn hand vast en riep: „Maar jij hebt ook de gave!” De Telegraaf 13 nov. 2017 [https://www.telegraaf.nl/vrij/1158802/te-open-over-zesde-zintuig ’Te open over zesde zintuig’]
    'Tarot is niet meer dan EEN VORM VAN PSYCHOLOGIE' Telegraaf NATHALIE KRIEK dinsdag 28 maart 2017 [https://vrouw.nl/artikel/paragnosten-ontmaskerd/41429/tarot-is-niet-meer-dan-een-vorm-van-psychologie 'Tarot' is niet meer dan EEN VORM VAN PSYCHOLOGIE']

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelstarot
Franstarot