tandsteen

/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) de afzetting van caliumzouten en verontreinigingen op gebitselementen
    Een neanderthaler die 36.000 jaar geleden in de Grot van Spy (België) leefde, at flink wat schapenvlees. Dat is op een onverwachte manier ontdekt: het DNA van de schapen zat in het tandsteen dat nu nog op zijn tanden zit. [https://www.nrc.nl/nieuws/2017/03/08/tandsteen-onthult-neanderthalermenu-7210550-a1549358 www.nrc.nl]

Vertalingen

Engelscalculus teeth
Spaanssarro, tártaro