tabernakel

/ˈtabərˌnakəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, religie (bouwkunde) (religie) kast of kluis in een kerk waar de geconsacreerde hosties worden bewaard
  2. religie (religie) tent van de ark des verbonds

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kastje op altaar met hosties, tent van de ark des verbonds’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelstabernacle
Franstabernacle
DuitsTabernakel, Stiftshütte, Hütte des Stifts
Spaanstabernáculo
Italiaanstabernacolo
Portugeestabernáculo
Japans幕屋
Poolstabernakulum
Zweedstabernakel