tabakswinkelier

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eigenaar van een winkel waarin men rookwaren verkoopt
    Het zijn nare plaatjes, maar dat went. Ze helpen mensen niet van het roken af. Leo de Groot, tabakswinkelier in Utrecht
    "Dit heeft niets met effectief beleid te maken om jongeren van het roken te weerhouden. Dit is simpelweg voor eigen gewin tabakswinkeliers pesten. Een groenteboer verbied je ook niet om zijn spruitjes te laten zien."