syndicus

mannelijk (de)/ˈsɪndiˌkʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. raadgever
  2. pensionaris, secretaris
    In 1479 verliet Agricola Italië weer. Hij keerde terug naar Groningen en werd daar syndicus (secretaris) in dienst van de stad. In die hoedanigheid ging hij twee keer naar Brussel om er de belangen van de stad te behartigen. NRC K. van Berkel 6 september 1991 [https://www.nrc.nl/nieuws/1991/09/06/moet-een-filosoof-getrouwd-zijn-bloemlezing-uit-het-6979303-a988817 Moet een filosoof getrouwd zijn?; Bloemlezing uit het werk van Rudolf Agricola]
  3. beheerder van een flatgebouw
    ‘Bedoeling is dat bewoners erdoor het gevoel krijgen dat zij en hun woning in goede handen zijn', zegt minister Geens. 'Voor syndici is het dan weer belangrijk dat ze eindelijk erkenning krijgen voor hun job.' Dat syndici zich lang niet altijd erkend voelen, mag blijken uit de daling van hun aantal. Terwijl er in ons land elk jaar 3.220 flats bijkomen, zijn er steeds minder professionele syndici om ze te beheren, zo bleek eind vorig jaar uit statistieken van de FOD Economie. De Standaard 24/03/2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170324_02796988 Syndicus registreren vanaf 1 april verplicht]

Etymologie

* uit het Latijn