supermarkt
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsypərˌmɑrᵊkt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (handel) een relatief grote zelfbedieningswinkel waar voedingsmiddelen en huishoudelijke artikelen worden verkochtHij heeft het iedere dag van zijn leven gehoord, het is een paar keer van frequentie veranderd als er een nieuw koelsysteem geïnstalleerd werd of een nieuwe vitrine werd aangeschaft - en soms, in een supermarkt of een andere verswinkel, brengt de frequentie van het gezoem hem terug naar een andere periode in zijn leven.Owens speelde in de jaren 80 schoonzoon Elvin in de hitserie. Alhoewel hij in de jaren daarna geregeld kleine gastrolletjes had in televisieseries, bleef het grote werk uit voor de inmiddels 57-jarige. Hij ging daardoor werken buiten de entertainmentindustrie, en werd afgelopen week door een klant gefotografeerd in de supermarkt waar hij een baan heeft. De foto kwam online te staan, waar veel mensen honend reageerden. Tubantia 03-09-18 [https://www.tubantia.nl/show/cosby-show-acteur-uitgelachen-om-supermarktbaantje~aba0407d/ Cosby Show-acteur uitgelachen om supermarktbaantje]Toch had ik haar hele lijst integraal ingekocht in een gigantische supermarkt in San Diego, genoeg voor de eerste zeven weken.
Etymologie
*leenvertaling van "supermarket", (intensiverende) afleiding van "markt" , in de betekenis van ‘winkel met zelfbediening’ voor het eerst aangetroffen in 1948
Vertalingen
Engelssupermarket
Franssupermarché
DuitsSupermarkt
Spaanssupermercado
Italiaanssupermercato
Portugeessupermercado
Russischсупермаркет, универмаг
Turkssüpermarket
Poolssupermarket
Zweedsstormarknad
Deenssupermarket
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek