superior

mannelijk (de)/syˈperijɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (rooms-katholiek) iemand die de leiding over een klooster heeft
    Een kleine groep vertrok daarheen, onder leiding van Dom Tholens als superior en pater Van den Biesen als kellenaar (econoom). De oorlog doorkruiste echter de plannen voor een nieuw klooster.
    (…) hij herstelde de oude stichting in het gewezen capucienen-klooster van Dendermonde, en smaakte de voldoening aldaar als monnik en als superior te sterven.
  2. voeding, handel (voeding) (handel) kristalsuiker van hoge kwaliteit

Etymologie

*van Latijn "superior"