suiker

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. oplosbare zoetstof hoofdzakelijk verkregen uit suikerbieten en suikerriet
    GGD-directeur: Suiker is de gevaarlijkste drug van deze tijd waarvan het gebruik moet worden ontmoedigd via een suikertaks. [http://www.parool.nl/parool/nl/34/ETEN-DRINKEN/article/detail/3510512/2013/09/16/GGD-directeur-Suiker-is-de-gevaarlijkste-drug-van-deze-tijd.dhtml parool.nl]
    Glazig staarde ik voor me uit terwijl de suikers, vetten en zout in mijn bloedstroom terecht kwamen.
  2. scheikunde (scheikunde) een type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zoetstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1253

Uitdrukkingen

  • Ergens met boter en suiker ingaanAan iets overgeleverd zijn; gemakkelijk te beïnvloeden zijn, ergens snel intuinen; er gloeiend bij zijn, gesnapt [2] worden
  • Niet van suiker zijnErgens tegen kunnen (vgl. Tegen een stootje kunnen)

Vertalingen

Engelssugar
Franssucre
DuitsZucker
Spaansazúcar
Italiaanszucchero
Portugeesaçúcar
Russischсахар
Chinees
Japans砂糖, さとう
Koreaans설탕
Arabischسكر
Turksşeker
Poolscukier
Zweedssocker
Deenssukker