stukadoor

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een bouwvakker die een afwerklaag van specie (of mortel) op muren en plafonds aanbrengt om ze een egaal en glad uitzicht te geven

Etymologie

* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘plafondwerker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750

Vertalingen

Engelsplasterer
Fransplâtrier, plafonneur, stucateur
DuitsStuckateur
Spaansestucador, estuquista
Italiaansstuccatore
Russischштукатур
Turkssıvacı