strop
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen of om bij het stropen dieren te vangenDe strop is later vervangen door de elektrische stoel en de dodelijke injectie.
- (figuurlijk) iets wat tot groot verlies leidt, bijv. in de zakelijke wereld; tegenslagDaar had hij een grote strop aan.Een financiële strop.
Etymologie
*Waarschijnlijk via van Latijn stroppus/stropus. In de betekenis van ‘strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Vertalingen
Engelsnoose, abortion, loss
Spaanschasco, fiasco, fracaso
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek