strop

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lus van stevig touw, bedoeld om iemand mee op te hangen of om bij het stropen dieren te vangen
    De strop is later vervangen door de elektrische stoel en de dodelijke injectie.
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets wat tot groot verlies leidt, bijv. in de zakelijke wereld; tegenslag
    Daar had hij een grote strop aan.
    Een financiële strop.

Etymologie

*Waarschijnlijk via van Latijn stroppus/stropus. In de betekenis van ‘strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Vertalingen

Engelsnoose, abortion, loss
Spaanschasco, fiasco, fracaso