stro

onzijdig (het)/stro/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) droge bloeistengels van graangewassen
    ' Nella kijkt naar de hoek van de cel, waar pasgeboren muizen in het stro ritselen en blindelings over de andere vertrouwde lijfjes in het nestje krioelen.
    Iedere avond sloop hij stilletjes naar de stal, rolde zich in een paardedeken en sliep lekker in het stro.

Etymologie

*<Middelnederlands stro <Oudnederlands strō < *strawa

Vertalingen

Engelsstraw
Franspaille
DuitsStroh
Spaanspaja
Italiaanspaglia