stront
mannelijk (de)/strɔnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uitgescheiden afvalstoffen van mens of dierOmdat hij nog stront aan z'n schoenen had, stonk het vreselijk in de kamer.
- (figuurlijk) (vulgair) zeer problematische situatieAls je zoveel geld leent, zit je bij een beetje tegenslag al gauw in de stront.
- (pejoratief) versterkt als eerste deel van een samenstelling een negatieve eigenschap die het tweede deel aangeeftHij was stronteigenwijs en luisterde niet naar de adviezen van meer ervaren vissers.
Etymologie
*(erfwoord), ontwikkeld uit Middelnederlands "stront", uit Germaans *strunta-, vergelijk Oudfries "stront" “stront” (modern Fries "stront"); Engels "strunt" “staartstomp” (ook geleend in Frans als "étron"), in de betekenis van “drek” voor het eerst aangetroffen in 1191
Uitdrukkingen
- in de stront zitten
- stront aan de knikker
- zak in de stront!
Vertalingen
Engelsshit
Fransétron, merde
DuitsScheiße, Kacke
Spaansmierda, excremento
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek