poep
mannelijk (de)/pup/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uit de darmen uitgescheiden afvalstoffen van mens of dierHij stapte met zijn schoen in de poep van een hond.
- (spreektaal) onzinJij praat poep.
- (pejoratief) iets waardeloos of walgelijks gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden om het rechterdeel een (meer) negatief karakter te gevenDie stomme poepzak zit zich weer vol te vreten.
- heel erg, gebruikt als linkerdeel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden als versterker van het rechterdeelDie merkkleding is poepduur.
zelfstandig naamwoord
- achterwerk, bipsVindt u mijn poep niet te dik in deze rok?
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) (geschiedenis) werkzoekende uit WestfalenHans Poep en staet het boerten niet wel aenAl is hij een Boer, hy en can gheen boert verstaen.
- (pejoratief) (geschiedenis) iemand uit Duitsland
- (pejoratief) (geschiedenis) iemand die buiten de eigen groep staat
Etymologie
*[C]: herkomst onzeker, mogelijk van "Bube" "knaap", mogelijk beïnvloed door de pejoratieve betekenis "stront", aangetroffen vanaf het begin van de 17e eeuw (zie bijvoorbeeld vindplaats hieronder)
Vertalingen
Engelspoop, butt, ass
Franscaca, merde, cul
DuitsKot
Spaanscaca, defecación, excremento
Poolskupa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek