stronk

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. boomstronk (stobbe), onderste dikke stamdeel van een boom.
    Paul Kruzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd. De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar. {{Aut|Wieringa, Tommy

Etymologie

* In de betekenis van ‘boomstomp’ voor het eerst aangetroffen in 1350

Vertalingen

Spaanscabo, muñón, resto