strik

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een knoop met twee lussen
    Het meisje had twee strikken in het haar.
  2. lint of koord in een knoop met twee lussen dat men als versiering om de hals draagt
  3. jachttaal (jachttaal) val voor dieren
    De stroper had een strik gezet om konijnen te vangen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘lus’ voor het eerst aangetroffen in 901