strijken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. over een oppervlak laten glijden
    Hij streek zijn huilende zoontje over zijn bolletje.
  2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
    Ik heb dat overhemd nog niet gestreken.
  3. iets laten zakken
    De zeilen strijken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘met de hand gaan langs, glad maken’ voor het eerst aangetroffen in 1250

Uitdrukkingen

  • Strijk en zet gebeurenerg vaak gebeuren
  • De ( of zijn) hand over 't hart strijken
  • De vlag strijkenhet opgeven, capituleren, zich overgeven
  • Een vaantje strijkenbewusteloos raken, flauw vallen ofwel: sterven ofwel: het opgeven
  • Er is geen zalf aan te strijkenergens niets aan kunnen doen of geen enke zinvol advies mogelijk voor iemand
  • Het zeil strijken voor iemandvan iemand verliezen
  • Iemand onder de kin strijkenvriendelijke of vleiende dingen tegen iemand zeggen
  • Vonnis vellen ( of strijken)

Vertalingen

Engelsstroke, iron, lower
Fransrepasser, abaisser
Duitsbügeln, niederholen, einholen
Spaansrozar, planchar, arriar