stranden

/ˈstrɑndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) aan de grond vastlopen
    Het schip strandde juist voor de havengeul.
  2. niet meer verder kunnen
    De jongen naast me deed zijn koplamp aan waardoor de in de muur gekraste namen zichtbaar werden: hier waren al eerder mensen gestrand.

Vertalingen

Engelsrun ashore, run aground
Franséchouer
Duitsstranden
Spaansabarrancar