straal

mannelijk/vrouwelijk (de)/stral/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) een rechte lijn vanaf het middelpunt naar een punt op een boloppervlak of cirkelomtrek
    Neem de straal tussen de punten van een passer, en trek de cirkel.
  2. natuurkunde (natuurkunde) een rechte, smalle bundel van elektromagnetische straling (licht, radio, warmte, röntgen enz.)
    Een laser geeft een perfecte straal licht.
  3. natuurkunde (natuurkunde) een smalle bundel van een gas of vloeistof die door overdruk uit een vat of slang spuit
    Bij een slagaderlijke bloeding spuit het bloed er in een straal uit.

Etymologie

* In de betekenis van ‘smalle lichtbundel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1263

Vertalingen

Engelsradius, beam, ray
Fransrayon, rayon, jet
DuitsHalbmesser, Radius, Strahl
Spaansradio, rayo