stramheid
vrouwelijk (de)/ˈstrɑmhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het zich niet soepel en makkelijk kunnen bewegenDegand weet wat hem te wachten staat. "Dinsdag en woensdag zal ik zeker met wat stramheid rondfietsen. Dit is vervelend, maar het had erger kunnen zijn en ik ben al blij dat het slechts bij schaafwonden is gebleven." Tubantia 10 juli 2017 [https://www.tubantia.nl/tour-de-france/overstekende-hond-brengt-degand-ten-val-op-rustdag~a5efae10/ Overstekende hond brengt Degand ten val op rustdag]Del Potro, kampend met een verkoudheid, oogde allesbehalve fit, en leek op een kansloze uitschakeling af te stevenen. Op één of andere manier schudde de 28-jarige Zuid-Amerikaan echter de stramheid van zich af en gooide er een fabuleuze wederopstanding uit. De Telegraaf 5 september 2017 [https://www.telegraaf.nl/sport/tennis/331498/waanzinnige-comeback-del-potro Waanzinnige comeback Del Potro]Om op mijn lange treinreis mijn stramheid tegen te gaan, probeer ik tijdens het wachten goed te bewegen. Liefst zo onopvallend mogelijk. NRC M. Ommen 13 januari 2012 [https://www.nrc.nl/nieuws/2012/01/13/stramheid-a1470889 Stramheid]
Etymologie
* afleiding van stram
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek