straffen

/ˈstrɑfə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
    Als ritueel en muziek zich niet kunnen ontwikkelen, zullen ook straffen en boetes hun doel niet bereiken.
    'Als de burgemeesters de kans kregen, zouden ze je straffen voor het feit dat je ongetrouwd bent!' Johannes probeert haar te overtuigen.
    De leraar strafte hem omdat hij te laat kwam, hij moest een nablijfbriefje halen bij de conciërge.

Etymologie

*afgeleid van straf

Vertalingen

Engelspunish, sentence, castigate
Franspunir, châtier
Duitsbestrafen, strafen
Spaanscastigar, penar
Italiaanspunire, castigare
Portugeescastigar, punir
Japansばっする
Poolskarać
Zweedsbestraffa, näpsa, straffa
Deensstraffe