straattaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈstratal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten, gesproken in groepen mensen die elkaar vaak op straat treffen, zoals jongeren, zwervers en boeven
    Amsterdam is de oorsprong van veel van de straattaal van nu.
    Met een zwaar Israëlisch accent waren al zijn grappen bezaaid met grove straattaal.
  2. (bij uitbreiding) mengtaal die op deze manier ontstaat

Vertalingen

Engelsbad language, slang
Fransargot, langage de la rue
DuitsGossenjargon
Spaansjerigoncio, jerigonza, jeringozo