stoutmoedigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. moed
    Er werd hem een buitengewone stoutmoedigheid en een weerzinwekkende brutaliteit toegedicht.
  2. brutaliteit
    ' `Mevrouw,' antwoordde Hippolytus, `niemand is op de hoogte van de stoutmoedigheid die u tegenover mij aan de dag heeft gelegd, want ik alleen smaak de weelde van uw ledematen die een en al volmaaktheid zijn, en er is zelfs niets dat daaraan afbreuk doet.

Etymologie

* afleiding van stoutmoedig