stompheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gevoelloze domheid
    Scholen en school hebben vaak zeer nadelig gewerkt op onze vatbaarheid om te genieten, om veredelende denkbeelden in ons op te nemen, en in dien zin: te leren. Zy die zo spoedig klagen uit enig voortbrengsel van vernuft of smaak niets geleerd te hebben, vergeten dat ze vaak daardoor zichzelf beschuldigen van stompheid. En erger: ze huichelen. Multatuli Volledige werken. Deel 4. [https://www.dbnl.org/tekst/mult001gstu07_01/mult001gstu07_01_0305.php Een en ander over Pruisen en Nederland. Causerieën. De maatschappij tot nut van den Javaan. Ideeën, derde bundel]
    Buitendien kan iemand op sommige punten bedeeld zijn met stompheid van geweten, zoowel als van intellect. En bij hem is alles meer zaak van humeur & eens opgevatte meening, dan eenig boosaardig opzet. Luimig is hij, geheel & al, in alle beteekenissen. Multatuli Volledige werken. Deel 25. [https://www.dbnl.org/tekst/mult001gstu28_01/mult001gstu28_01_0062.php [24 april 1875 Brief van Marie Anderson aan J.W.T. Cohen Stuart]]

Etymologie

* afleiding van stomp

Vertalingen

Engelsmatt, dull, hebetude