stoelgang

mannelijk (de)/'stulɣɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch, eufemisme (medisch) (eufemisme) het proces van zich op gezette tijden ontlasten van fecaliën
    De stoelgang was gestoord als gevolg van zijn ziekte.
  2. medisch (medisch) medische term voor de menselijke uitwerpselen zelf
    Heeft u al stoelgang gemaakt?

Etymologie

* Leenvertaling of leenwoord van Duits "Stuhlgang", verwijzend naar het discreet lopen naar de zogenaamde nachtstoel, een meubelstuk waar men zittend zijn behoefte kan doen. In de betekenis van ‘ontlasting’ voor het eerst aangetroffen in 1477

Vertalingen

Engelsdefecation, evacuation, stool
Fransdéjection, selles, déjections
DuitsStuhlgang, Stuhlgang
Spaansdeposición, defecación, deposición