stoefen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- pochen, opscheppen, snoeven, pralen„En nóg een verschil: wij Belgen zijn minder fier op ons design. Hollanders stoefen meer. En met opscheppen en brutaal zijn geraak je verder. Kijk maar naar de nieuwe grote gebouwen hier. Die zijn meestal door architecten van buitenaf ontworpen.” (Arjen Ribbens NRC 3 oktober 2015)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek