stiften

/ˈstɪftə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inkleuren met een stift
    Ik stiftte mijn lippen knalrood.
  2. sport (sport) een bal zacht met een boog (over de keeper) schieten
    Bij het nemen van de strafschop stiftte Panenka de bal over de al gedoken keeper heen.
  3. verouderd (verouderd) stichten