stekelhuidigen

/ˌstekəlˈhœydəɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stam , ongewervelde zeedieren met een wat stekelige huid. De stam omvat een aantal bekende zeedieren zoals de zeesterren, zee-egels, zeekomkommers en de zeelelies. Er zijn ongeveer 7000 levende soorten beschreven, wat het de op een na grootste groep van deuterostomen maakt, na de chordadieren (gewervelden en verwanten)
    Zeeëgels behoren samen met onder meer de zeesterren en de zeekomkommers tot de stekelhuidigen (echinodermata).

Etymologie

*[2] samenstellend afgeleid uit "stekel", "huid" en de uitgang -en, een vrije leenvertaling van Neolatijn "echinodermata", gevormd uit "ἐχῖνος" (echinos) "egel, zee-egel" en "δέρμα" (dérma) "huid"