stek
mannelijk (de)/stɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tuinieren) afgesneden takje waaruit een nieuwe plant kan groeien
- (dierkunde) voerplek voor vissen
- (informeel) plekje om (enige tijd) te verblijven
- (wonen) woning, woonplaats
Etymologie
* In de betekenis van ‘loot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1659
Uitdrukkingen
- Hij heeft nog altijd geen vaste stek gevonden. — hij heeft nog altijd geen vaste woning
Vertalingen
Spaansesqueje, estaca
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek