stek

mannelijk (de)/stɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tuinieren (tuinieren) afgesneden takje waaruit een nieuwe plant kan groeien
  2. dierkunde (dierkunde) voerplek voor vissen
  3. informeel (informeel) plekje om (enige tijd) te verblijven
  4. wonen (wonen) woning, woonplaats

Etymologie

* In de betekenis van ‘loot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1659

Uitdrukkingen

  • Hij heeft nog altijd geen vaste stek gevonden.hij heeft nog altijd geen vaste woning

Vertalingen

Spaansesqueje, estaca