stadhuistoren
mannelijk (de)/stɑtˈhœystorə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) smal, hoog oprijzend bouwwerk dat onderdeel is van het gebouw waar het bestuur van een grote plaats is gevestigdDe Grote Markt is gemakkelijk te vinden: als de opgevouwen paraplu van een rondleider wijst de stadhuistoren de weg.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek