stadhuistaal
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (nodeloos) deftig, formeel, ambtelijk jargon dat door het (gewone) publiek niet of slecht begrepen wordtEn nog: welke Vlaamse norm zullen we propageren: de Brabantse ‘ge’ die de Limburgers en West-Vlamingen niet in hun eigen dialect kennen? Het gepropageerde Vlaams, dat gallicistisch verkavelingsvlaams is, is nog meer ‘kromtaal’ dan de stadhuistaal die men aan het algemeen Nederlands verwijt. Denken dat we al onze taal bezitten is een uiting van zelfgenoegzaamheid en dus van provincialisme.de Standaard 06 FEBRUARI 2015 Hans Vandevoorde, Doceert Nederlandse letterkunde aan de VUBLaatst lag er weer een brief in de bus voor een inspraakavond. Aan de manier waarop zo'n uitnodiging is gesteld, kun je aflezen dat ze hopen dat je niet komt. Het is altijd bot, horkerig proza, vergeleken waarbij het oude begrip stadhuistaal nog bijna iets poëtisch krijgt. Het kenmerkt de afstand die het bestuur tot mij in acht wil nemen.de Standaard Jan Blokker 26 januari 2005De vier acteurs staan, symbolisch, op een wankele speelvloer. In plaats van ambtenaren spelen ze ruziënde huisgenoten die met elkaar in de clinch liggen over een lekkend dak, een nieuwe keuken. Een externe deskundige sust met stadhuistaal de spanningen.NRC Kester Freriks 12 september 2014
Vertalingen
Engelsofficialese, bureaucratese
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek