staander
mannelijk (de)/ˈstandər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verticaal langgerekt voorwerp dat op een ondergrond steunt zodat er iets anders op kan staan of aan kan hangenDe vorm van een DNA-molecuul lijkt, zoals iedereen weet, op een wenteltrap of een gedraaide touwladder: de bekende dubbele helix. De staanders van deze structuur zijn gemaakt van een soort suiker dat desoxyribose wordt genoemd, en het geheel van de helix is een nucleïnezuur — vandaar de benaming desoxyribonucleïnezuur. {{Aut|Bryson, BillDe grootste kamer in het huis, waar ook nog een sofa stond, maar vooral: een imposant schrijfmeubel in kersenhout, met daarop een enorme onderlegger in groen vilt met zwartlederen rand, allerlei knip-, plak- en schrijfgerief in lederen etuis, alles altijd precies op dezelfde plaats. Net als de grote bureaulamp met groene stoffen kap en staander in geribbeld messing, met een witte bakelieten schakelaar.de Standaard DONDERDAG 1 JUNI 2017
- iets wat een bouwsel stevigheid geeft in de verticale of lengte richting en dan met name drukkrachten kan opvangenTwee oudere, breedgebouwde volkstuinders die zich verhuurden als klusser braken de oude muren af tot er alleen een geraamte van staanders resteerde. Dit skelet werd opnieuw betimmerd met tropisch hardhout (ze spraken van rabathout, omdat de planken voorzien waren van bepaalde groeven en geschulpte randen). {{Aut| Valens, Anton
- (persoon) iemand die een vaste positie inneemtEen troep volk, vrouwen en mans, vijf stuks, stond stil bijeen op de voorplecht. De Bleeck hield even halt aan de beschoeiing, zijns ondanks getroffen door het vervaarlijke in de armoede van dit onbekende vaartuig. De mans en vrouwen keken honend terug, maar riepen niets naar de opmerkelijke staander op de kade.
Etymologie
*afgeleid van staan
Vertalingen
Engelsstand, standard, support
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek