spuwsel

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wat men ophoest
    In februari 1927 grippe, april, bronchitis. Vrij sterk hoesten, spuwsel aanvankelik weinig, tans meer. Zweten, weinig. (1996)–Gerrit Borgers [https://www.dbnl.org/tekst/borg006paul01_01/borg006paul01_01_0074.php Paul van Ostaijen. Een documentatie]
  2. wat men uitbraakt

Etymologie

* van spuwen