sprank

mannelijk/vrouwelijk (de)/sprɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zeer geringe hoeveelheid, kleine opflikkering
    Wat zo vreemd was, was dat ze bij die vrolijke muziek heel ernstig keek. Geen sprankje plezier. En dit contrast met de vrolijke draaiorgelmuziek vond ik beangstigend. {{Aut|Swaab, Dick
    Of reageerde ik misschien op het geprefabriceerde van de dagen in deze wereld, op de vastgelegde routines die we hadden en die alles zo voorspelbaar maakten dat we in vermaak moesten investeren om een sprankje intensiteit te voelen? {{Aut|Knausgard,Karl
    Nicht Coosje Boudier vertelt, dat in Den Haag meisjes met Duitse officieren in de Rotonde zitten te borrelen. Hebben ze dan geen sprank eergevoel, en trots en schaamteVolkskrant 19 mei 2015, uit een dagboek Utrecht, 19 mei 1940
  2. klein rondvliegend gloeiend korreltje of brokje
  3. verouderd (verouderd) klein uitgroeisel

Etymologie

**[3] in de betekenis "uitspruitsel" aangetroffen vanaf 1540

Vertalingen

Engelsspark
Portugeesfagulha