sporttaal
mannelijk/vrouwelijk (de)/'spɔrtal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) (sport) de specifieke groepstaal (jargon) die gebruikt wordt door beoefenaars en liefhebbers van een bepaalde sport, bestaande uit unieke termen, uitdrukkingen en gezegden die de cultuur en activiteiten binnen die sport weerspiegelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek