sporen

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsporə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. spoorwegen (spoorwegen) met de trein reizen
    De forensen sporen omdat er op de weg teveel files staan.
  2. in het grotere geheel passen
    De nieuwe medewerkers sporen niet met de huidige bedrijfscultuur.
zelfstandig naamwoord
  1. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de (rij)laars