sportklas

vrouwelijk (de)/ˈspɔrtklɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs (onderwijs) groep leerlingen met een lesprogramma waarin naar verhouding veel lichaamsbeweging is opgenomenIn Nederland gaat het om een lesprogramma voor het hele jaar, vaak gericht op leerlingen die een loopbaan in de sport nastreven; in België gaat het om een periode van enkele dagen waarin lichamelijke opvoeding wordt gegeven in een sportaccommodatie.
    Mijn klas is een sportklas, dan sport je vier keer per week.
    Het schoolleven moet vooral ‘leuk’ zijn: open dag pretpakketjes, mascottes, The After Cito Parties, dans- en sportklassen.
  2. sport (sport) groep mensen die gezamenlijk les krijgen in een bepaalde vorm van lichaamsbeweging
    In uw boek beschrijft u alledaagse situaties, zoals de rij in de saladebar, of de marteling van een geritualiseerd sportklasje.
    Volgens directeur Patrick Rijnbeek van branchevereniging NL Actief “haal je de 103 decibel niet in een sportklas”. Voor hem is het belangrijkste verschil dat de komende jaren in kaart gebracht wordt hoe hard het geluid wél is in de fitnesscentra - iets wat nu niet bekend is.