sporten
/ˈspɔrtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) aan sport doenWie wil afvallen, moet sporten.Ter voorbereiding op het sporten smeerden Griekse atleten zichzelf (en elkaar) zorgvuldig in met olijfolie, waarover zij vervolgens een fijn zand sprenkelden.Na het sporten werden zand en olie, nu vermengd met zweet, afgeschraapt met een schraapijzer strigilis, waarna de atleet weer klaar was om zijn rol als (geklede) burger op zich te nemen.
Etymologie
*afgeleid van sport
Vertalingen
Engelspractice sport
Fransfaire du sport
DuitsSport treiben
Spaanshacer deporte
Italiaansfare sport
Zweedssporta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek