sport

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn
    Al is dit onderzoek inmiddels bijgesteld, een direct verband tussen industrialisering en de modernisering van sport blijft moeilijk vast te stellen.
    Het makkelijkst is de invloed van industrialisering op sport misschien nog te verklaren op basis van harde cijfers: de toename in productiviteit en inkomen maakte ruimte voor sportieve vrijetijdsbeoefening en de 'passieve' sportliefhebber (en dus een consumentenmarkt voor sport), vooral vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw - dus bijna een eeuw na de eerste industriële productielijnen in het Verenigd Koninkrijk.
    Sommige fabrikanten zagen sport in hetzelfde licht als een middel tegen oprukkend socialisme, een disciplineringsinstrument om de werkende klasse mee in het gelid te houden.
  2. spel
    Voor England was het een sport om zo zuinig mogelijk te leven.
  3. trede van een ladder
  4. stoelspaak

Etymologie

* In de betekenis van ‘trede van ladder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1301

Uitdrukkingen

  • een sport maken van

Vertalingen

Engelssport, rung, rung
Franssport, échelon, barreau
DuitsSport, Sprosse, Steg
Spaansdeporte, escalón, barrote
Italiaanssport
Portugeesesporte, desporto
Russischспорт
Japansスポーツ, supōtsu
Poolssport
Zweedssport