spelen

/ˈspeːlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) recreatief en/of ontspannend bezig zijn
    De kinderen zijn rustig aan het spelen.
  2. muziek (muziek) muziek maken op een muziekinstrument
    Tatertot was helemaal op dreef en had inmiddels geregeld dat Necktie met zijn gitaar kon meedoen met de lokale bluegrassband die in de brouwerij aan het spelen was.
  3. intr (intr) niet serieus bezig zijn
  4. intr (intr) ~ met onvoorzichtig/ondoordacht/onbezonnen omgaan met iets kostbaars
    Hij speelt met zijn leven!
  5. seksualiteit (seksualiteit) met zichzelf ~ masturberen
  6. ov, toneel, filmkunst (ov), (toneel), (filmkunst) invulling geven aan een rol [3]
  7. het vervullen van een functie
    Waarschijnlijk was het helemaal niet terecht geweest dat hij de twee Duitse schrijvers had vervloekt die om een of andere reden niet samen in het Grand Hotel in Saltsjôbaden wilden verblijven, zodat een van hen, helaas de bolsjewiek en niet de Nobelprijswinnaar, bij hen thuis in Villa Bellevue moest logeren. Wat tot gevolg had dat hij naar huis moest om de gastheer te spelen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zich vermaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236

Uitdrukkingen

  • met de voeten spelen
  • Advocaat van de duivel spelenIemand die iets verkeerds heeft gedaan, desondanks verdedigen
  • De eerste viool spelenHet hoogste woord hebben en de baas spelen
  • De vermoorde onschuld spelenZie onschuld
  • Hoog spel spelenveel of grote risico's nemen
  • Hoog spel spelenVeel of grote risico's nemen
  • Iemand in de kaart spelenIemand onbewust helpen (terwijl dat juist niet de bedoeling is)
  • Luistervinkje spelenStiekem een gesprek tussen anderen afluisteren

Vertalingen

Engelsplay, perform, play
Fransjouer
Duitsspielen
Spaansjugar, tocar
Russischиграть, поиграть
Poolsgrać
Zweedsagera