speelzucht
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈspelzʏxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- niet te onderdrukken neiging om deel te nemen aan kansspelenIk had ontdekt dat ik erg weinig van mijn eigen familie af wist; Miriam, Xavier en mijn ouders waren als schimmen in een flauwverlichte kamer, een kamer waar de lichten half waren gedoofd toen de Eikenhof door de speelzucht van mijn vader voor ons verloren was gegaan.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek