spaak
mannelijk/vrouwelijk (de)/spak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindtDe spaak was gebroken, maar dat hinderde niet.
- (gereedschap) staaf als hefboom
Etymologie
* In de betekenis van ‘verbinding tussen naaf en velg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Uitdrukkingen
- een spaak in het wiel steken
Vertalingen
Engelsspoke, crow-bar, crowbar
Fransrayon
DuitsSpeiche
Spaansrayo, radio, palanca
Italiaansraggio
RussischСпица
Japansスポーク
Koreaans바퀴살
Poolsszprycha
Zweedseker
Deenseger
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek