sorghum
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort landbouwgewas,
- (voeding) (graan) zaden van belangrijke voedselbron voor een groot deel van de wereldbevolking, het enige graan dat in Afrika ruim beschikbaar is
Etymologie
* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘kafferkoren’ voor het eerst aangetroffen in 1859
Vertalingen
Spaanssorgo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek