sorghum

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort landbouwgewas,
  2. voeding, graan (voeding) (graan) zaden van belangrijke voedselbron voor een groot deel van de wereldbevolking, het enige graan dat in Afrika ruim beschikbaar is

Etymologie

* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘kafferkoren’ voor het eerst aangetroffen in 1859

Vertalingen

Spaanssorgo