soja
mannelijk (de)/ˈsoja/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort peulvrucht,
- (landbouw) bepaald eiwitrijk gewas, , verbouwd om mensen en dieren te voedenWakker Dier ziet dat voor de megastallen soja en ander veevoer wordt geïmporteerd uit de hele wereld. "Het vlees, de zuivel en de eieren worden grotendeels geëxporteerd. Maar de mest blijft hier en zorgt onder andere voor te veel stikstof in onze omgeving", stelt de organisatie.
- (voeding) boon van , gebruikt als grondstof dient voor voedsel
- (kookkunst) sojasaus
Etymologie
*van "醤油" (shoyu), in de betekenis van ‘pikante saus’ voor het eerst aangetroffen in 1670
Vertalingen
Engelssoy
Franssoja
Spaanssoja, soya
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek